De strijkersgroep van de harmonie, die voortkwam uit een initiatief van dirigent Wilhelm Westerop in 1922, werd uiteindelijk opgegeven omdat deze op de lange termijn niet levensvatbaar bleek te zijn.
Hoewel de groep aanvankelijk met veel ijver repeteerde – in 1924 waren bijvoorbeeld 32 van de 76 repetities specifiek voor de strijkers bedoeld – kon zij binnen de vereniging niet blijvend voet aan de grond krijgen. De bronnen noemen hiervoor verschillende redenen:
- Gebrek aan interesse: Er ontstond de indruk dat de overige leden van de harmonie slechts zeer weinig belangstelling toonden voor de strijkersgroep.
- Gebrek aan integratie: Er heeft nooit een gezamenlijke uitvoering van een muziekstuk plaatsgevonden waarbij blazers en strijkers samen speelden; de samenwerking bleef beperkt tot het feit dat de strijkers eigen bijdragen leverden binnen een concert.
- Marginalisering binnen de vereniging: De geringe waardering ging zo ver dat de secretaris het niet eens nodig vond om de namen van de strijkers op te nemen in de jaarlijkse ledenlijsten.
- Gebrek aan weerklank: Ondanks de inspanningen van Westerop bleven de artistieke en organisatorische resultaten achter bij de verwachtingen.
Er is in de kroniek geen officieel bericht te vinden over de opheffing van de groep. De strijkers werden in januari 1928 voor het laatst vermeld in verband met optredens bij de vereniging „Toneelkunst“ en bij de „Arbeiter Verein St. Paulus“. In de daaropvolgende jaarverslagen kwamen zij niet meer voor.


