Het „Eulenspiegelkonzert“ was een zogenaamde „muzikale humoreske“ van de componist Mückenberger, die in de geschiedenis van de harmonie regelmatig werd ingezet ter vermaak van het publiek. Het was een vaste traditie om muzikale uitvoeringen te koppelen aan humoristische acts om de „lachspieren“ van de toehoorders te trainen.
Een gedetailleerd verloop is overgeleverd van het tweede humoristische winterconcert op 23 januari 1910, waarbij dit werk het sluitstuk vormde:
Kader en sfeer
- Locatie: Het concert vond plaats in de zaal van het Vaalser Gesellschaftshaus (eigenaar A. Gillissen) onder leiding van kapelmeester Chr. Rothschuh.
- Stemming: Omdat het concert in de carnavalstijd viel, was het publiek al in een feestelijke stemming. Om de feestvreugde te verhogen, werden er carnavalshoedjes verkocht in de zaal.
Het verloop van het concert
Het programma was onderverdeeld in drie afdelingen, waarbij het Eulenspiegelkonzert als laatste punt het hoogtepunt van de avond markeerde:
- Eerste afdeling: Deze begon met marsen en ouvertures, maar bevatte ook solistische hoogtepunten zoals de „Virtuosen-Polka“ (klarinetsolo door H. Jussen) en een klucht in het Akens dialect („Öcher Platt“).
- Tweede afdeling: Hier volgden verdere humoristische muziekstukken zoals de „Jux-Polka voor twee afgegane trompeters“ en komische scènes met zang.
- Derde afdeling: Na diverse marsen en een „fidele negerbruiloft“ (een cake-walk), vormde het „Eulenspiegelkonzert“ (nr. 5 van de III. afdeling) de officiële afsluiting van het muzikale programma.
Betekenis van de einlage
Dergelijke humoristische concerten waren zeer belangrijk voor de vereniging, omdat ze door de combinatie van muziek en toneel (vaak opgevoerd door de muzikanten zelf) een breed publiek trokken. Het Eulenspiegelkonzert is een voorbeeld van het repertoire uit de beginjaren, dat sterk werd bepaald door populaire melodieën, potpourri’s en dergelijke muzikale humoreskes.
Deze traditie van humoristische vormgeving werd later voortgezet, met name in de jaren 1920 onder leden als Jos. Bröcheler, in de vorm van „urkomische concerten“.


