HUB DEITZ CARNAVALSREVUE 2019

Het was weer eens vier voorstellingen spelen en samen beleven met een warm en enthousiast publiek onder het motto “VOLS PAKT OES”. Zo klonk het slotwoord van president Jo Kern aan het einde van twee weekenden HUB DEITZ CARNAVALSREVUE 2019 “WIE OUWER DE NUS, WIE HELLER DE SJAAL”.

Deze keer was de te persifleren locatie het senioreheem “De Woofskoele”, waar sjwester Annasjaaf (Brigitte Pelzer) samen met broeder Sjnoefnaas (Jules Louvenberg) de scepter zwaaiden en waar zich de geijkte gebeurtenissen afspeelden zoals: ’s ochtends wakker worden (ouverture “MORGENS UM SIEBEN”), oopsjtoa (“GUTEN MORGEN SONNENSCHEIN”, Brigitte Pelzer) en “GUTEN MORGEN LIEBE SORGEN” (bewoonster Hielde Heggemusj, Ellen von Wintersdorff), weisje met de hilarische scene “D’R BADEWANNE-TANGO” met bewoner Wienand Wasserwel (Huub Zegers). Daarna volgt het frühstück (“ÉÉN KOPJE KOFFIE”, John Pelzer) en “sjladder” Lenie Sjmierwoasj (Manuela Knubben-Crützen) strooit met het ene na het andere verhaal: “de woarheed en nuus wie de woarheet, oes ’t leëve! (“LEEF”,Marco Fröhling). Tijdens de sjpreisj-sjtond (“HEEJ DEET ‘T WIEË”) van d’r dokter Jriepsjpriets (Jules Louvenberg) behandelt deze eerst de krankheet “bemoelerieties” met de “sjwiesj-de-moel-therapie” (kweerkleëvende plostere) voor de steeds “klafende” bewoonster Lenie Sjmierwoasj en schrijft daarna de placebo-kuur voor voor de zwaar op de hand levende bewoonster Hielde Heggemusj, die gezelschap van een man niet ziet zitten, ook niet met rode rozen (“ROED ZIEN DE ROZE”, John Pelzer). Wienand Wasserwel vertelt over zijn Marie, waar hij klaarblijkelijk weinig in de melk te brokkelen had: “jet wie de feuerwehr: deusj dit deusj dat, jank heej jank doa, tatu tata!. En iesj mè sjtubbe, sjtaubzauge, d’r muulemmer boesse zètse”. Herhaaldelijk is eigenzinnigheid en koppigheid troef: “WIE OUWER DE NUS, WIE HELLER DE SJAAL!”. Verrassende scène bij het aangekondigde kienen is de “Specsavers”-reklaam “I’M SEXY AND I KNOW IT”: “weurste noen mè noa ’t Ülsje jejange!” (Claudia Delnoye-Crumbach). Het “knöpsjere mit sjwelmènsjer en broadwoasj eisse” wordt begeleid door “HONGER, HONGER” van de slagwerksectie. Wienand Wasserwel: “Beej mie Marie, Jott jef ‘m d’r hèmmel,  joof ’t allèng mè ongeree: Sjapeng ongeree, roeë jemus ongeree, koompes ongeree. Nie ‘ns e lèkker sjnietselsje mit e lekker roomtsuis-je”.  Aansluitend was het tijd voor d’r jemuutlieje ovvend met speciale gast JOHNNY JORDAAN met potpourri (Henk van den Berg) en tieëkezènge met “SCHÖN IST DIE JUGENDZEIT” (Jertsje Bülles, Jo Kern), “D’R KRANEWEIER” (Marco Fröhling) en “HET ZEEROVERSLIED” (Henk van den Berg).Twee rode draden door het verhaal: Wienand Wasserwel wordt gekweld door hevig heimwee naar de tijd van vroeger toen hij 18,19 jaar was en Albert Mekkie, alias Zweistein (Jo Kern) loopt constant slepend met gereedschap en RD4-waardige spullen al rekenend door het beeld. Hij nodigt uiteindelijk de gekwelde Wienand Wasserwel uit om zijn in het geheim in de kelder gebouwde tijdmachine uit te gaan proberen. Wienand wil echter niet alleen en staat erop dat Lenie Sjmierwoasj mee gaat. Men heeft wel buiten Hielde Heggemusj gerekend, die wil gaan “klafe” en zo afdwingt dat ook zij mee gaat.
In het tweede deel gaan de vier op reis door de tijd, alhoewel de medereizigers nog wel wat bedenkingen hebben: “Zweistein, doe jeleufs doch zisjer nit, dat iesj beej volle versjtand in dat masjien sjtiesj!”. Uiteindelijk wordt onder de klanken van “STAR TREK” dan toch met veel rook en lawaai vertrokken. En al snel blijkt inderdaad dat Zweistein ’t masjien en het programmeren klaarblijkelijk nog niet geheel onder de knie heeft en men verzeilt niet in het gewenste tijdperk, maar eerst bij de “jabbedabbedoe”-Flintstones, Fred (Jules Louvenberg) en Wilma (Brigitte Pelzer). De bedreigingen van deze sjteemènsje probeert Wienand Wasserwel nog tevergeefs weg te nemen met zijn “ICH HAB DREI HAARE AUF DER BRUST”, maar Zweistein helpt een handje met zijn instructie om van de vierèkkieje reer van de Flintstone-mobiel ronde wielen te maken. De Flintstones vieren feest (“HULAPALU”, John Pelzer). Men laat de Flintstones in uitgelaten stemming achter en vertrekt. En weer gaat het fout. Men belandt in sprookjesland. Hielde Heggemusj als Roodkapje en Lenie Sjmierwoasj als Gelaarsde Kat en…….men heeft Wienand ergens onderweg verloren. De dwergen (Jules Louvenberg met leerlingen) verschijnen met “HEY HO HEY HO” ten tonele en kort daarop diepbedroefd met de glazen kist met het “oesjesjtorve Sjnieëvlöks-je” (Brigitte Pelzer). Zweistein troost met het sprookje van de prins op het witte paard, die Sjnieëvlöks-je zal wakker kussen (“INTERNATIONAAL KUUSSE”, Henk van den Berg). De prins op het witte paard verschijnt dan daadwerkelijk in de persoon van Wienand Wasserwel, die Sjnieëvlöks-je wakker kust. Een hilarische scène “gebit wisselen” tussen Wienand en Lenie Sjmierwoasj gaat hier aan vooraf. De dwergen vieren feest (“TSWERJE IN DE BERJE”, Jertsje Bülles) en het gezelschap vervolgt de reis. De vertwijfeling slaat toe als men weer in een verkeerd tijdperk beland. Deze keer, veel te vroeg, in de hemel (“HALLELUJA”, Marco Fröhling) waar ze als engelen door Petrus (Jo Kern) hartelijk worden begroet en waar ook de duivel (Huub Zegers) hen probeert binnen te halen, want Marie heeft hij al binnen. (“HÖLLE,HÖLLE”, John Pelzer). Dat ze ooit aan de hemelpoort zullen aankloppen (“A JEN HÈMMELSDEUR”, Brigitte Pelzer en Jo Kern) is zeker, maar nu nog niet. Petrus waarschuwt nog: “wees braaf, want de weg naar de hel is heel kort bij” (HIGHWAY TO HELL”, Maurice Delnoije). Zweistein programmeert opnieuw en start de tijdmachine op en deze keer is het raak: onder de muziek uit “HAIR”, de musical: “AQUARIUS en “LET THE SUNSHINE IN” (Brigite Pelzer) bereiken ze de tijd van “Flower Power”. Tot zijn verbazing treft Wienand daar de jongere versies van Wienand en Marie aan en neemt hij de gelegenheid te baat Wienandjr. te waarschuwen niet dezelfde fout te maken als hij zelf: “Paas diesj oop! Veurdatste ’t wits hat ’t diesj öm d’r vènger jewikkeld”. Met z’n allen “sjwame ze e tuutsje” en vieren party (“MAMALOO” (Maurice Delnoije). Nadat Wienandsr. over zijn Marie heeft “jesjtuut” (“VENUS”, Brigitte Pelzer) begint het “öm d’r vènger wikkele” en komt Wienandjr. herhaaldelijk bij Wienandsr. om goede raad. Het begint met “sjtubbe, sjtaubzauge en muulemmer boesse zètze” naar “sjpeule, vinstere weisje en d’r hoespoets”. Ook het koken komt aan bod: “Nit allèng mè ongeree”. Klap op de vuurpijl: “de loeëntuut ilèvvere”. En dat gaat Wienandjr. net iets te ver. En ook Wienandsr. waarschuwt: “Zörsj datste d’r heer i jen hoes bliefs”. Wienandsr. attendeert nog op “de sjweijermam”, die steeds op bezoek komt en blijft slapen en Hielde Heggemusj constateert, dat die Marie van vroeger moeilijk af te remmen was. Zweistein reageert dat dat in die tijd ook voor hun gold: genieten van de vrijheid en vrije seks (“I CAN GET NO SATISFACTION”, Maurice Delnoije). Marie is onzeker geworden: “Haste miesj daan noen noch jeer?”. Wienandjr.: Mè zisjer, mè Marie, wils doe ooch poete? En op “jazisjer, ’n janse sjoel”: “Da losse v’r mè derèk dra aavange!”. Wienandsr. is blij dat hij zijn Marie nog een keer terug heeft gezien (“LEEF MARIE”, Marco Fröhling) en stelt voor terug te gaan naar “de Woofskoele’, want of je nou ver terug of ver vooruit gaat in de tijd, “Vols zal ömmer blieve besjtoa”. (“WEN OOP D’R LAAN HUU DE LAMPE NOCH BRENNE”, Henk van den Berg). Terug op het oude nest en desgevraagd door sjwester Annasjaaf en broeder Sjnoefnaas stelt Wienand Wasserwel dat hij blij is dat hij Marie in de hemel ziet zweven en de slechte dingen die hij over zijn Marie heeft verteld nog heeft kunnen recht zetten. Zweistein gaat zijn tijdmachine, die met een paar omwegen goede dienst heeft gedaan, demonteren en stelt vast: waar je ook bent op deze wereld, in welke tijd je ook vertoeft, het beste was en is en zal het altijd zijn “beej oos i Vols”  (“VOLS DOE BIS E DÖRP”, Henk van den Berg, Jo Kern). De 16e revue is daarmee ten einde en de revue-commissie mag zich opmaken voor het bedenken van de 17e editie, want dat die er komt is zeker.